Cligès


tekstpagina van cliges Dit verhaal is in ca.1176 geschreven door Chrétien de Troyes, die ook de verhalen Ywein, de ridder met de leeuw, Lancelot of de ridder van de kar, Erec en Enide en Perceval of het verhaal van de graal heeft geschreven.

Het lijkt er op of Chrètien het verhaal van Tristan en Isolde, wat in die tijd populair was, heeft willen herschrijven. In dit verhaal komen dingen voor, waar hij het niet mee eens was, zoals wat hij noemt het overspel van Isolde. Chrètien zegt hierover in Cligès "haar lichaam had twee huurders, terwijl haar hart maar aan een toebehoorde".
Ook het einde is anders, want dit verhaal loopt het goed af. Er zijn echter veel overeenkomsten in beide teksten.

Proloog

In de proloog zegt Chrètien dat de schrijver van Erec en Enide en andere bekende verhalen een nieuw verhaal begint. Het verhaal is gebaseerd op een van de boeken uit de bibliotheek van de Pieterskerk te Beauvais.

Het verhaal

Er was eens een keizer van Griekenland en Constantinopel, die twee zonen had. De eerste, Alexander geheten, is al wat ouder als Alis, de jongste wordt geboren.
Alexander heeft gehoord dat het hof van koning Arthur in de hele wereld geducht en beroemd is. Hij is vastbesloten om naar Brittanië te gaan, waar hij veel roem en eer kan behalen, zodat hij door koning Arthur tot ridder kan worden gemaakt.
Zijn vader probeert hem nog tegen te houden, zeggende dat hij ook machtig is en hem ridder kan maken, maar Alexander houdt voet bij stuk, waarop zijn vader toegeeft.
Alexander krijgt van zijn vader twee scheepsladingen goud en zilver mee. Hij geeft verder zijn zoon het advies mee om hier vrijgevig mee om te gaan, omdat dit iets is wat elke ridder siert.

Na anderhalve maand varen komen ze in Southampton aan. Hier wordt hen verteld dat koning Arthur in Winchester verblijft, waar ze volgende morgen naar toe vertrekken.
Als ze diezelfde dag al aankomen bij het hof van koning Arthur, gaat Alexander met twaalf metgezellen naar binnen. Alexander verteld wie zij zijn en dat ze uit Griekenland komen en biedt vervolgens de koning zijn diensten aan.
Koning Arthur is onder de indruk van deze jongelingen en neemt ze in zijn hof op, waarna ze hun intrek in de stad nemen.
In de hierop volgende tijd maakt Alexander zich erg geliefd door zijn vrijgevigheid en zijn manieren.

Op een gegeven moment gaat koning Arthur naar Bretagne, terwijl hij het bestuur overlaat aan graaf Angrès van Windsor.
Tijdens de overtocht naar Bretagne is Arthur op een schip met Guinevere, Alexander en Soredamors, de zus van Walewein. Tijdens deze overtocht raken Alexander en Soredamors verliefd op elkaar, maar durven dit niet aan elkaar te bekennen. Tijdens hun verblijf in Bretagne verdiept hun liefde zich, maar nog steeds zeggen zij hierover niets tegen elkaar.

Begin oktober hoort koning Arthur dat graaf Angrès, aan wie hij het bestuur van Engeland heeft overgelaten, zich tegen hem heeft gekeerd. Arthur brengt in Bretagne een leger op de been en gaat terug naar Engeland om de verrader te verdrijven.

Terug in Engeland besluit Alexander aan koning Arthur te vragen of hij tot ridder geslagen kan worden, zodat hij aan de strijd kan meedoen. Koning Arthur maakt hem hierop, samen met zijn twaalf metgezellen tot ridder.
Koningin Guinevere geeft hem voor deze gelegenheid een hemd van witte zijde, in elkaar gezet met gouden en zilveren draden. Soredamors, die het hemd gemaakt heeft, heeft er ook een van haar goudkleurige haren in verwerkt.

Als graaf Angrès hoort dat koning Arthur er met een grote legermacht aankomt, vlucht hij uit Londen met al het goud en zilver naar zijn beveiligde burcht in Windsor, waar Arthur hem nareist om hem te belegeren.
De eerste avond ziet Alexander een aantal ridders van graaf Angrès buiten de burcht, die een schijngevecht uitvoeren. Hij besluit met zijn metgezellen om het tegen ze op te nemen. Via een doorwaadbare plaats komen ze bij de ridders en beginnen het gevecht.
Snel weten de Grieken de ridders te overwinnen. Er liggen vele doden en Alexander komt met vier gevangenen terug. Koning Arthur is hiervan onder de indruk en geeft Alexander de leiding over vijfhonderd ridders en duizend man voetvolk.

De vier gevangenen worden door paarden rond de burcht gesleept, tot grote woede van de inwoners. Koning Arthur probeert de burcht in te nemen, maar deze blijkt erg sterk te zijn.
Arthur looft een prijs uit aan diegene die er voor zorgt dat de burcht zal worden ingenomen. De prijs bestaat uit een kostbare bewerkte gouden beker.
Die avond gaat Alexander, net als iedere avond naar koningin Guinevere. Zij ziet dan de haar van Soredamors in zijn hemd verwerkt zitten en begint te lachen. Als Alexander vraagt waarom zij lacht, roept zij Soredamors bij zich. De koningin ziet nu de verlegen blikken van beiden naar elkaar en begrijpt wat er aan de hand is.
Guinevere vraagt aan Soredamors wat er in het hemd van Alexander zit. Als Alexander hoort dat er een van haar haren in het hemd is verwerkt, is hij nog opgetogener over zijn cadeau.

In de burcht is er overleg gaande. Men begrijpt dat koning Arthur hen zal blijven belegeren, tot ze overwonnen zijn. Ze besluiten om die nacht onverwacht het kamp van koning Arthur aan te vallen, omdat ze dan misschien een kans hebben tegen dit grote leger.
Nog voordat de maan op is, gaan ze naar buiten, maar God ziet dit met lede ogen aan en laat de maan eerder opkomen dan gewoonlijk, waardoor ze door de wachtposten gezien worden.
Deze slaan alarm, waardoor de verrassing weg is en er een verschrikkelijke strijd los brandt. Alexander en zijn vrienden doden vele tegenstanders en voordat de zon opkomt, is bijna het hele leger van graaf Angrès verslagen.
Als de graaf ziet dat alles verloren is, gaat hij stiekem terug naar de burcht, samen met zeven metgezellen. Alleen Alexander ziet hem vluchten en omdat hij de graaf niet meer in kan halen, bedenkt hij een plan.

Hij gaat samen met zijn vrienden de burcht binnen met de herkenningstekens van graaf Angrès. Deze herkenningstekens hebben ze van overwonnen ridders afgenomen en hun eigen tekens daar achtergelaten. Op deze manier weten ze de burcht binnen te komen en weten daar ridders te doden, die daar zijn achtergebleven.
De graaf mengt zich in de strijd en weet Calcedor te doden, een van de vrienden van Alexander. Als Alexander dit ziet, wordt hij woest en valt de graaf aan, die goed partij geeft. De graaf ziet echter dat zijn mannen verliezen van Alexander en zijn vrienden en vlucht naar zijn donjon, achterna gezeten door zijn belagers.
Een deel van de groep van Alexander sluit vervolgens de poort, zodat andere mensen uit de burcht hen niet van achteren aan kan vallen, terwijl de rest met graaf Angrès en enkele metgezellen blijft vechten.

In de donjon verdedigt de graaf zich met een bijl en weet zo dertien man van Alexander te doden. Alexander wordt steeds bozer en pakt uiteindelijk een zware balk, waarmee hij de graaf een klap geeft. Deze verliest zijn bijl en dan weet Alexander hem te overmeesteren. Hierna is het gevecht snel afgelopen, omdat iedereen zich in de donjon aan Alexander overgeeft.

Buiten op het slagveld, vinden de ridders van koning Arthur de schilden van Alexander en zijn mensen, waardoor men denkt dat ze gedood zijn. Het verdriet in het kamp van koning Arthur is groot en Soredamors is ontroostbaar.

In de donjon zit Alexander ondertussen met een probleem. Hij heeft de graaf gevangen genomen, maar hijzelf zit weer gevangen in de donjon. Buiten de deur staan mensen van de graaf die hem te lijf willen gaan.
Hij klimt op de muur en zegt tegen deze mensen dat ze zich over moeten geven aan koning Arthur. Zij zullen dan gespaard worden. De mensen geven aan deze oproep gehoor, omdat ze wel inzien dat de overmacht van koning Arthur buiten hun burcht te groot is.

Hierna komt ook Alexander met zijn mannen en zijn gevangenen naar buiten. Koning Arthur is blij dat het beleg over is en schenkt Alexander de gouden beker die hij uitgeloofd heeft. Ook mag Alexander de koning vragen wat hij wenst.
Alexander geeft de gouden beker aan Walewein, die hem na lang praten accepteert.
Hierna gaat hij naar de tent van koningin Guinevere, waar ook Soredamors aanwezig is. Guinevere besluit dat het nu de tijd is om de twee geliefden aan elkaar te koppelen.
Als ze vervolgens van elkaar horen wat ze voor elkaar voelen, zijn zij beiden opgelucht en diezelfde dag trouwen zij nog te Windsor met elkaar, met instemming van Walewein en koning Arthur. Ook krijgt Alexander het koninkrijk Wales van Arthur.
Al snel blijkt Soredamors zwanger en wordt uiteindelijk Cligès geboren.

Intussen is in Griekenland de keizer - Alexanders vader - overleden. Men stuurt boodschappers naar Brittanië, om Alexander te zoeken. Onderweg komt hun schip in een storm en vergaat. Iedereen op de boot verdrinkt, op een man na. Deze man is er meer aan gelegen dat Alis, de jongere broer van Alexander op de troon komt en keert terug naar Griekenland.
Hier verteld hij dat ze Alexander opgehaald hadden, maar dat het schip met hem is vergaan. Hierna besluit men om Alis keizer van Griekenland te maken.

Al gauw komt het Alexander ter ore en hij besluit terug te gaan, om zijn rechtmatige eigendom op te eisen. Hij gaat terug samen met Soredamors, Cligès en zestig manschappen.
Binnen een maand is Alexander in Athene, waar op dat moment ook Alis met veel edelen verblijft. Alexander stuurt een van zijn getrouwen naar de stad, om de rechten van Alexander op te eisen.
Alis weigert om zijn kroon af te staan. Als hij zijn edelen om steun tegen Alexander vraagt, wijzen ze hem echter allemaal af. Ze vinden het verstandiger als Alis zijn broer weer accepteert.
Deze ziet in dat hij moet capituleren, maar hij wet er toch een tussenoplossing uit te slepen. Hij blijft op de troon zitten, terwijl op de achtergrond Alexander het land bestuurt. Alis zal niet trouwen, zodat Cligès na zijn dood op de troon zal komen.

Op deze manier wordt het rijk een tijdje naar ieders tevredenheid geregeerd. Maar Alexander wordt ziek. Hij roept Cligès bij zich en raadt hem aan om, als hij groter is, naar het hof van koning Arthur te reizen om zich daar met de beste ridders ter wereld te meten, waaronder zijn oom, heer Walewein.
Hierna sterft Alexander en vlak hierna Soredamors, die van verdriet om haar man sterft.

Cligès groeit verder op aan het hof, waar Alis zich nog steeds aan zijn belofte houdt en niet trouwt. Maar de druk op hem neemt echter toe en op een gegeven moment staat hij toe dat afgezanten afreizen, om de keizer van Duitsland te vragen om de hand van zijn dochter.
Deze is blij met een goede partij als de keizer van Griekenland en stemt toe. Alis moet haar wel zelf komen halen met een grote legermacht, omdat het meisje al was beloofd aan de hertog van Saksen en die zal haar niet zonder slag of stoot laten gaan.

Alis is blij met het antwoord en gaat met een grote legermacht - waaronder Cligès - naar Duitsland. Als het leger is aangekomen, gaan Alis en Cligès naar het paleis van de keizer, die zijn dochter, Fenice geheten, laat komen. Beide jongelingen - Cligès en Fenice - zijn erg mooi en verstandig. Als zij elkaar zien, worden zij verliefd op elkaar, maar laten dit niet merken.

De hertog van Saksen is er inmiddels achtergekomen dat Fenice aan iemand anders uitgehuwelijkt zal worden en stuurt een van zijn neven naar de keizer van Duitsland.
Hij eist het meisje op. Hij belooft dat als de hertog het meisje niet krijgt, zij de terugweg naar Griekenland voor de Grieken zullen blokkeren, om zo het meisje alsnog te krijgen.
Deze neef krijgt geen antwoord. Hij weet dan waar hij aan toe is en gaat terug. Maar bij zijn vertrek daagt hij Cligès uit, die het gevecht aanneemt.
Even later stormen de paarden op elkaar af en Cligès stoot met zijn lans zijn tegenstander uit het zadel. Hierdoor boos geworden probeert hij het nog een keer, maar weer stoot Cligès hem uit het zadel.

Hierna gaan de Grieken achter de boodschappers aan en jagen ze het land uit. Als Cligès hiervan terugkeert, ziet hij Fenice uit een toren naar hem kijken en op dat moment is de liefde tussen beiden compleet.
De Duitsers vragen zich af wie deze dappere jongeling is. Dit wordt hen door de Grieken verteld en ook vertellen ze van de belofte van Alis om niet te trouwen. Ook Fenice hoort van deze belofte en zij beraad zich nu wat ze moet doen om niet met Alis, maar met Cligès in het huwelijk te treden.

Thessala, de kinderjuf van Fenice, merkt dat er iets met het meisje aan de hand is en vraagt wat er aan scheelt, zodat zij naar een middel kan zoeken om haar te genezen. Ook kent zij betoveringen en bezweringen die kunnen helpen.
Fenice, die Thessala al haar hele leven kent, wil wel zeggen wat haar scheelt, maar Thessala mag hier met niemand anders over spreken, wat deze belooft.
Fenice begint te omschrijven wat zij voelt en al snel begrijpt Thessala dat zij verliefd is. Hierna verteld Fenice dat zij verliefd is op Cligès, maar dat zij zijn oom Alis moet trouwen. Zij wil echter haar lichaam voor Cligès bewaren, ook omdat Alis beloofd heeft om niet te trouwen, maar ondanks deze belofte toch met haar het bed zal delen.

Thessala belooft een drank te maken, waardoor Alis iedere keer als hij naar bed gaat direct in slaap valt. Hij zal dan over Fenice dromen en als hij wakker wordt, zal hij denken dat ze gemeenschap hebben gehad, dit iedere nacht weer.
Fenice is blij met deze oplossing, want als zij maagd blijft, is zij nog niet echt met Alis getrouwd en beschikbaar voor Cligès.
Als de drank klaar is, laat Thessala Cligès roepen, die zijn oom moet bedienen bij het eten en vraagt of Cligès het drankje aan Alis wil geven. Het zou een bijzondere wijn zijn voor een bijzonder iemand. Nietsvermoedend brengt Cligès deze drank naar Alis, die hem met smaak op drinkt.

Na het eten wordt het huwelijk door de aanwezige bisschoppen ingezegend en gaat iedereen naar bed. Het drankje doet zijn werk, want Alis valt in slaap en droomt dat hij Fenice bezit.

Na een tijdje vertrekken de Grieken met Fenice, uitgeleide gedaan door de Duitse keizer met een grote legermacht, want hij is beducht voor de hertog van Saksen.
Op een avond hebben ze hun kamp opgeslagen in een weiland bij de Donau. Cligès gaat hier een ritje maken met drie andere jongelui. De neef van de hertog ziet hen gaan en gaat hem met vijf metgezellen achterna. Bij een onverwachte aanval, weet hij Cligès licht te verwonden aan zijn rug. Cligès gaat hierop direct achter hem aan en stoot zijn lans door het hart van de neef van de hertog, die dood neervalt, waarop de overgebleven Saksen op de vlucht slaan.

De mannen gaan terug naar hun kamp, achtervolgt door Cligès. Bij het kamp van de hertog vertellen de mannen wat er is gebeurt. De hertog is woedend en zweert wraak, waarop er een ridder is die zegt dat hij het hoofd van Cligès naar de hertog zal brengen.
Cligès is inmiddels ook bij het kamp aangekomen, schrikt hiervan en keert weer terug naar de plaats waar hij denkt dat zijn kameraden zijn. Deze zijn echter terug gereden naar hun kamp en vertellen daar wat ze gezien hebben.
Hierop gelasten de Griekse en de Duitse keizer hun mannen, om zich gereed te maken voor het gevecht.

Cligès en de ridder die beloofd heeft zijn hoofd aan de hertog te geven zijn bij de plaats aangekomen, waar Cligès zijn kameraden heeft achtergelaten. Als Cligès ziet dat er niemand meer is, besluit hij zijn achtervolger aan te vallen.
Deze komt met gestrekte lans op Cligès af, maar mist hem. Cligès raakt hem wel, waardoor hij met paard en al omvalt. Het paard valt op de benen van de ridder, waardoor deze verbrijzelen. Hierop trekt Cligès diens harnas aan en slaat hem hierna het hoofd af.
Hij spietst het hoofd op zijn lans en gaat zo terug naar de Saksen, inmiddels achtervolgt door de Grieken en de Duitsers, die gearriveerd waren.
In deze vermomming rijdt hij recht op de Saksen in, die denken dat hij bij hen hoort, maar al snel weten ze beter, als hij met zijn zwaard om zich heen begint te slaan en zichzelf bekend maakt.

Als de Duitsers en de Grieken horen dat het Cligès is, zetten ze ook de aanval in. Cligès heeft inmiddels de hertog uit het zadel gewerkt en brengt diens witte paard als oorlogsbuit in veiligheid. Inmiddels is er spion bij de hertog gekomen en zegt hem dat het kamp van de Grieken en de Duitsers nu onbewaakt is. Hij biedt aan om met honderd man Fenice te ontvoeren, wat de hertog een goed voorstel vindt.

Ze weten Fenice uit het kamp weg te krijgen, waarop ze door twaalf ridders weggevoerd wordt. De anderen gaan naar de hertog en als deze het nieuws hoort, sluit hij direct een wapenstilstand met zijn tegenstanders.
Iedereen gaat direct terug naar zijn tent, behalve Cligès, die op een heuvel achterblijft. Hij ziet de twaalf mannen in de verte op zich af komen, met de buit die zij bij zich hebben. Als hij naar ze toerijdt, zien ze hem ook en door het witte paard waar hij op rijdt, denken ze dat het de hertog is.
Zes man rijden dan vooruit naar hem toe, om hem het goede nieuws te vertellen. Een van hen is sneller en roept al van verre dat ze Fenice gevangen hebben. Als Cligès dit hoort, pakt hij zijn lans en doodt deze ridder.
Hij rijdt verder en zo ontmoet hij de tweede, die hetzelfde lot ondergaat als de eerste ridder. Zo vergaat het alle zes ridders. Hierna gaat hij naar de achtergebleven zes ridders en valt hen aan. Ook deze ridders weet hij te overwinnen, maar een laat hij in leven, zodat deze tegen de hertog kan zeggen wie hen heeft overwonnen. De hertog is dan ook woest als hij van deze nederlaag hoort.

Cligès neemt Fenice mee terug naar hun kamp, waar ze blij zijn om hen te zien, omdat men dacht dat ze beiden dood waren.
De hertog van Saksen komt dan met het voorstel dat hij persoonlijk tegen Cligès zal vechten. Als Cligès wint, dan mogen de Grieken met Fenice ongestoord naar huis vertrekken. Als de hertog wint, moet iedereen zich zo goed mogelijk verdedigen, omdat de strijd dan gewoon door zal gaan.
Nadat Cligès beide keizers heeft overtuigd, dat hij dit gevecht wil aangaan, krijgt hij hiervoor toestemming van beiden.

Het gevecht zal halverwege beide kampen plaatsvinden. Al snel komen ze beiden met gestrekte lansen op elkaar af en weten ze beiden hun tegenstander uit het zadel te werken.
Ze staan allebei op en gaan met het zwaard verder. Het is een felle strijd, waarin beiden rake klappen oplopen. Als de hertog Cligès een rake klap geeft, waardoor Cligès met een knie op de grond valt, geeft Fenice - die ook toekijkt - een luide gil. Cligès hoort dit en hierdoor krijgt hij nieuwe kracht en begint fel op de hertog in te hakken.
Deze merkt dan dat hij het duel niet kan winnen en biedt Cligès de overwinning aan. Cligès accepteert dit, waarop een beschaamde hertog met de Saksen terug naar huis keert, waarna ook de Duitse keizer besluit om terug naar huis te gaan.

Als ook de Grieken op willen breken, gaat Cligès naar de keizer, om hem toestemming te vragen om naar het hof van koning Arthur te gaan. Hij herinnert zich dat zijn vader dit geadviseerd heeft.
Alis is hier eerst op tegen, maar als Cligès zegt dat hij dan zonder toestemming weg gaat, stemt hij toch in. Hij geeft Cligès ook nog veel goud en zilver mee.
Cligès vraagt ook toestemming aan Fenice. Hij zegt dat hij nu al halverwege is op weg naar Engeland en dat hij daar de belofte aan zijn vader, om het op te nemen tegen Walewein wil inlossen. Hoewel Fenice bedroefd hierover is, geeft zij hem toestemming, waarna ze met een bezwaard gemoed uit elkaar gaan.
Hierna gaat Fenice naar griekenland, maar zonder vreugde, omdat Cligès niet meegaat.

Cligès is inmiddels in Wallingford aangekomen en hier hoort hij dat koning Arthur een toernooi heeft georganiseerd bij Oxford, die vier dagen zal gaan duren.
Hij besluit mee te doen en stuurt er drie schildknapen op uit om drie verschillende wapenrustingen te kopen, een zwarte, een rode en een groene. Hierna vertrekt hij naar het toernooi.
Als het toernooi begint, is het de gewoonte dat er een ridder van koning Arthur naar voren komt, om tegen een ridder van de tegenstanders het toernooi die dag te openen.
De eerste dag komt Sagremor de onstuimige naar voren. Omdat niemand bij de tegenstanders durft, gaat Cligès naar voren, die die dag zijn zwarte wapenrusting aan heeft. De beide ridders komen op elkaar afgereden en Cligès weet tot ieders verbazing Sagremors uit het zadel te stoten, die zich vervolgens volgens de regels overgeeft.
Hierna begint het grote gevecht waar Cligès veel ridders overwint en hij tot winnaar van die dag wordt uitgeroepen. Die avond gaat hij terug naar zijn verblijf, ruimt zijn zwarte wapenrusting op en laat de groene halen.
Die avond wordt er door iedereen gesproken over een onbekende ridder in het zwart. Koning Arthur laat naar het verblijf van deze zwarte ridder zoeken, maar niemand kan hem vinden.

De volgende dag opent Lancelot van het meer het toernooi en ditmaal komt Cligès aangereden in zijn groene wapenrusting op een roodvos. Lancelot ondergaat hetzelfde lot als Sagremors de dag ervoor en ook Lancelot moet zich overgeven.
In de hierop volgende strijd weet Cligès weer iedereen te overwinnen. Die avond keert hij weer snel terug naar zijn verblijf en laat daar de rode wapenrusting halen. Die avond kan weer niemand hem vinden, omdat er naar de groene wapenrusting wordt gezocht.

De derde dag komt Perceval van Wales naar voren namens koning Arthur en weer komt Cligès naar voren, ditmaal gekleed in een rode wapenrusting, zittend op een Spaanse goudvos. Ook Perceval verliest het duel en moet zich overgeven.
De rest van de strijd die die dag geleverd wordt, is hetzelfde als de dagen daarvoor, want weer weet Cligès iedereen te verslaan.
Die avond begrijpt iedereen dat het drie dagen lang dezelfde ridder is geweest, met iedere keer een andere wapenrusting aan en iedereen is nieuwsgierig hoe hij zich de laatste dag zal kleden. Ook Walewein, die vastbesloten is om het tegen hem op te nemen.

De vierde dag komt Cligès als eerste naar voren in zijn eigen witte wapenrusting op zijn witte paard. Walewein accepteert de uitdaging, waarna beide ridders op elkaar afrijden. Ditmaal vallen beiden door de klap op de grond en gaat de strijd met het zwaard verder.
Het gevecht gaat over en weer, maar een duidelijke winnaar of verliezer is er niet en na een tijd besluit koning Arthur het gevecht te stoppen, omdat het niet goed zou zijn als een van deze twee uitstekende ridders gewond zou raken.
Cligès wordt uitgenodigd bij koning Arthur, die dit aanbod graag aanneemt. Hierna stopt koning Arthur het toernooi, omdat het beste gevecht van die dag al is geleverd.

Aan het hof wordt Cligès nieuwsgierig ontvangen, omdat iedereen wil weten wie de ridder is, die hen heeft overwonnen.
Na de maaltijd vraagt koning Arthur wie hij is en waar hij vandaan komt, waarna Cligès zich bekend maakt. Hij verteld van zijn vader, Alexander die koning Arthur nog kent en van zijn moeder, de zus van Walewein. Ook verteld hij van zijn belofte aan zijn vader om naar het hof van koning Arthur te gaan en om tegen heer Walewein te strijden.
Als iedereen weet wie Cligès is, is men er trots op om hem te leren kennen en Walewein is trots op zijn neef.
Nu Cligès de belofte aan zijn vader heeft ingelost, wil hij weer terug naar Griekenland, omdat hij Fenice mist.

Terug in Constantinopel is iedereen blij dat Cligès weer is teruggekeerd, vooral Fenice.
Na een tijdje, als Cligès bij Fenice is, vraagt zij hem uit over Brittanië en uiteindelijk vraagt zij hem of hij daar van een vrouw of een meisje heeft gehouden. Cligès antwoordt dat na zijn vertrek uit Duitsland zijn hart naar Griekenland is gegaan, met diegene van wie hij houdt. Dan vraagt hij Fenice wat zij van Griekenland vindt.
Zij antwoordt dat zij het de laatste tijd leuker vind, maar dat haar hart een tijdje in Brittanië is geweest. Hierdoor begrijpen beiden dat de ander hetzelfde voelt als zijzelf en bekennen zij elkaar hun liefde.
Hierna verteld Fenice dat zij nog nooit gemeenschap heeft gehad met de keizer en verteld hem van de toverdrank, omdat ze op hem wilde wachten. Hierna spreken zij beiden af om na te denken hoe zij bij elkaar kunnen zijn en om dit plan de volgende dag aan elkaar voor te leggen.

De volgende dag zegt Cligès dat hij haar mee wil nemen naar Brittanië, zodat ze daar samen in vrede kunnen leven. Fenice wijst dit af, omdat hij hierdoor in Griekenland met schande zal worden behandeld.
Haar plan is dat zij zichzelf eerst ziek zal houden, waarna ze zogenaamd komt te overlijden. Cligès moet zorgen voor een graftombe waarin zij niet stikt en haar daar die nacht weer uit komen halen, waarna ze samen naar een geheime schuilplaats kunnen gaan.

Cligès denkt dat dit plan uit te voeren is. Hij kent een goede steen- en beeldhouwer, Johan genaamd, die hem toegewijd is en die kan helpen.
Hierna gaat Cligès op pad om Johan te zoeken, waarna Fenice om Thessala laat roepen. Hierna verteld ze haar plan aan Thessala en vraagt of deze kan helpen.
Thessala zegt dat ze een drankje kan maken, waardoor het lijkt of Fenice dood is. Zij wordt door dit drankje koud en stijf en kan niet meer ademen op spreken.
Afgesproken wordt dat Thessala dit drankje zal maken en als ze weggaat vraagt ze iedereen om Fenice met rust te laten, omdat ze zich niet goed voelt.

Cligès heeft inmiddels Johan bij zich laten komen en vraagt hem of hij te vertrouwen is. Als Johan doet wat Cligès wil, zal hij en zijn zonen voor altijd vrij zijn.
Johan wil hem helpen en beloofd te zwijgen, waarna Cligès hem het plan uitlegt. Johan zegt dat de graftombe geen probleem is, maar zegt ook dat hij een huis bezit, waar niemand van af weet, waar Cligès en Fenice kunnen wonen, nadat hij haar uit de graftombe heeft gehaald.
Ze besluiten er samen heen te gaan. Cligès is opgetogen als hij het grote huis en de toren gezien heeft, maar als Johan ook de geheime kamers laat zien, is Cligès verbijsterd. Hij is blij dat hij Johan in vertrouwen heeft genomen.

Als ze terug komen in de stad, weten ze daar al dat Fenice ziek is. Cligès gaat naar haar toe en verteld haar dat alles in gereedheid is, waarna zij doet of ze hem wegstuurt, omdat ze wil rusten.
Thessala heeft inmiddels een vrouw gevonden die doodziek is en zegt dat zij haar kan helpen door de pijn te verlichten. Zij zegt dat ze dan urine van de vrouw nodig heeft om uit te zoeken wat haar scheelt. Nadat de zieke vrouw is geholpen, gaat Thessala met de urine naar de keizer en zegt dat hij de artsen moet roepen, zodat deze dit kunnen onderzoeken, waarna zij de urine van de zieke vrouw aan de artsen geeft, zeggende dat dit van Fenice is.
De artsen kunnen hieruit niets anders concluderen dan dat Fenice diezelfde dag nog zal overlijden.

Hierna geeft Thessala haar drankje aan Fenice, die hierna niets meer kan en zegt tegen de keizer dat Fenice is overleden. Iedereen in het paleis en de stad is erg verdrietig. Op dat moment zijn er in de stad drie artsen uit Salerno en deze horen het droevige nieuws. Deze vermoeden een valstrik en vragen of zij Fenice mogen zien. Een van hen voelt aan het hart van Fenice en merkt dat zij nog leeft en zegt dit tegen de keizer. Deze vraagt hen dan om Fenice weer levend te maken, wat de artsen gaan proberen.
De artsen vragen iedereen weg te gaan, waarna ze Fenice vragen om weer op te staan. Als Fenice niet reageert, halen ze haar uit haar kist en beginnen haar te slaan en te stompen, maar door het drankje van Thessala kan Fenice niet reageren.
Als ook dit niet helpt, beginnen ze haar met riemen te slaan, zodat er bebloede striemen op de rug van Fenice komen, maar nog steeds reageert zij niet. Hierna laten ze kokend lood op de handen van Fenice vallen, maar deze kan nog steeds niets zeggen.

Als vrouwen uit de stad zien wat de artsen met Fenice doen, worden ze boos en breken de deuren open, waarna de vrouwen de drie artsen uit het raam gooien, zodat ze hun nek, ribben, armen en benen breken.
Thessala heeft inmiddels Fenice weer in de kist gelegd en de verwondingen afgedekt met de lijkwade. Hierna begint zij de wonden met een speciale zalf te behandelen.

De volgende dag is de begrafenis bij de kerk van Sint Pieter, zoals Fenice vooraf gevraagd heeft. Die avond gaat Cligès naar het graf, samen met Johan. De wachters zijn in slaap gevallen, zodat beiden Fenice uit haar graf kunnen halen en brengen haar naar het geheime huis van Johan.
Cligès, die niet weet dat een Fenice een drankje heeft gekregen, denkt dat ze echt is overleden en is ontroostbaar. Maar het drankje begint zijn kracht te verliezen en als Fenice een zucht slaakt, weet Cligès dat zij nog leeft.
Als ze weer helemaal bij is, zegt zij dat ze erg zwak is door de mishandelingen van de artsen en vraagt aan Cligès of hij Johan er op uit wil sturen om Thessala te halen, zodat deze haar kan behandelen.

Als Fenice twee weken rust heeft gehad en is behandeld door Thessala, is zij weer helemaal hersteld. Hierna hebben beiden een heerlijke tijd in het huis, waar Cligès iedere dag naar toe komt.
Na een paar maanden geeft Fenice aan dat ze graag weer eens naar buiten wil en als Johan haar een geheime omsloten tuin laat zien, is ze helemaal gelukkig.

Op een dag is er een jongeman op jacht in de buurt van het huis, als zijn sperwer wegvliegt. De jongen is erg gehecht aan de vogel en gaat op zoek. Hij ziet de sperwer landen bij een toren. Hij kan alleen bij de vogel komen, door over een hoge muur te klimmen, wat hij doet.
In de tuin aangekomen ziet hij Cligès en Fenice samen naakt slapen onder een boom. Op dat moment wordt Fenice wakker door een vallende peer. Als zij de indringer ziet, waarschuwt zij Cligès, die direct op de jongeman afgaat met zijn zwaard, die naast hem lag.

De jongen weet de muur te bereiken en klimt er overheen, maar Cligès weet hem toch zijn been onder de knie af te hakken.
Aan de andere kant vangen zijn vrienden de jongeman op en hij vraagt hen om hem naar de keizer te brengen. Hier verteld hij zijn belevenissen en samen gaan ze op onderzoek uit. In het huis aangekomen zijn Cligès en Fenice al verdwenen.

De keizer laat Johan komen en vraagt hem wat er waar is van het verhaal van de jongeman. Johan geeft toe dat beide geliefden in het huis gewoond hebben. Hij zegt dat Cligès hier mocht wonen met Fenice, omdat de keizer geen recht op haar heeft, vanwege zijn belofte aan Alexander om niet te trouwen.
Ook verteld hij de keizer van het drankje dat deze gedronken heeft op de avond van zijn bruiloft, zodat hij in werkelijkheid nooit gemeenschap heeft gehad met Fenice.
Als de keizer dit hoort, is hij woest en laat Johan opsluiten, waarna hij er ridders op uit stuurt om Cligès en Fenice te zoeken, maar niemand kan hen vinden.

Cligès is intussen, samen met Fenice, naar koning Arthur gegaan voor hulp, maar net als deze uit wil varen met een grote legermacht, komt Johan, die weer vrij is met andere boodschappers naar Cligès en zeggen hem dat de keizer dood is. Door zijn boosheid heeft hij niet meer gegeten of gedronken en is hierdoor overleden.
Johan komt vragen of ze mee terug willen gaan, omdat de Grieken hen als keizer en keizerin willen. Hierna gaan ze terug naar Griekenland, zonder de legermacht die klaar stond.
Teruggekomen in Griekenland trouwen ze met elkaar en heerst er vrede in het land.
Hiermee is het verhaal van Chrètien afgelopen.

bronnen