e oudste versie van dit „abel spel” (= schoon of voortreffelijk), is bewaard gebleven in het handschrift - Van Hulthem uit ca.1410.
Een schrijver is niet bekend, maar het is wel zeker dat dit toneelspel eerder is ontstaan dan 1410, wanneer de kopiist het opschrijft. Ook is niet duidelijk waar het verhaal vandaan komt, maar men neemt aan uit Vlaanderen, Brabant of Limburg.
Proloog
De verteller van het verhaal, bidt tot God voor een deugdelijk leven voor zijn toehoorders en vertelt hen dat ze het verhaal gaan zien van een voorname ridder, die verliefd is op een rechtschapen en mooie jonkvrouw.
Zijn moeder is hier echter op tegen, omdat Sanderijn, de jonkvrouw, van een te lage komaf zou zijn.
Het verhaal
Lanseloet zit in de boomgaard onder een egelantier en denkt aan Sanderijn, de vrouw van wie hij houdt. Hij denkt ook aan zijn moeder, die tegen deze relatie is, omdat Sanderijn van een lage komaf is.
Hij hoopt in de boomgaard Sanderijn tegen te komen, wat even later ook gebeurt.
Hij zegt tegen Sanderijn dat hij haar liefheeft, maar zij wijst hem af, omdat zij van een lagere stand is dan Lanseloet. Zij zegt hem dat ze ook niet zijn minnares wil zijn.
Lanseloet vraagt haar of ze wil doen wat hij haar vraagt, dan zal hij haar rijkelijk belonen. Weer wijst zij hem af, zeggende dat ze zuiver wil trouwen met iemand die haar trouw is.
Dan vraagt hij haar of zij hem niet in deze tuin wil beminnen, maar Sanderijn blijft hem afwijzen.
Ten slotte zegt hij dat hij haar geen kwaad wil doen. Sanderijn zegt dat ze nu uit elkaar moeten gaan, voor er praatjes van komen.
Als Sanderijn weg is, zegt Lanseloet tegen zichzelf dat het jammer is dat hij niet met haar kan trouwen, omdat zij een mooie en verstandige vrouw is.
De moeder van Lanseloet heeft gehoord dat hij Sanderijn bemint en is hier boos om. Zij vindt dat hij iemand van zijn eigen stand zou moeten trouwen. Lanseloet zegt echter dat hij haar nog steeds wil beminnen. Zijn moeder is hier boos over, maar hij blijft voet bij stuk houden.
Als zijn moeder merkt dat haar opmerkingen tot niets leiden, doet zij Lanseloet een voorstel. Zij zal er voor zorgen dat hij die nacht Sanderijn kan beminnen als hij belooft te doen wat zij wil.
Lanseloet belooft dit, waarop zijn moeder zegt, dat nadat hij haar bemind heeft moet zeggen dat hij haar zat is, zich om moet draaien en gaan slapen.
Hij vraagt haar of zij echt wil dat hij zich zo lomp gedraagt. Zij zegt hem dat ze het op deze manier wil, anders zorgt zij er niet voor dat Sanderijn die nacht naar zijn kamer komt, waarop hij toestemt.
Lanseloet hoopt dat Sanderijn begrijpt dat hij echt van haar houdt en zich zo lomp gedraagt in opdracht van zijn moeder.
De moeder van Lanseloet roept Sanderijn bij zich en zegt dat Lanseloet die nacht ziek is geworden. Zij vraagt of Sanderijn de komende de komende nacht Lanseloet gezelschap wil houden. Sanderijn voldoet aan dit verzoek, omdat ze hem graag weer beter wil zien.
Als Sanderijn weg is, zegt de moeder van Lanseloet tegen zichzelf, dat de liefde van Lanseloet voor Sanderijn nu wel snel over zal zijn, omdat de liefde snel bekoelt als twee mensen elkaar bemind hebben.
De volgende morgen begrijpt Sanderijn dat ze in de valstrik van Lanseloet en zijn moeder is gelopen. Zij is boos om de leugen van de moeder en het lompe gedrag van Lanseloet.
Zij besluit het hof te verlaten. Na een tijd komt ze in een bos bij een heldere bron en besluit daar uit te rusten.
Een ridder is daar in de buurt op jacht en hoopt op een mooie buit, omdat het al een tijdje geleden is dat hij iets heeft gevangen. Als hij even later bij de bron komt, ziet hij Sanderijn en is direct diep onder de indruk van haar.
Hij zegt tegen haar dat zij de mooiste jachtbuit zal zijn, die hij ooit heeft gehad. Sanderijn zegt dat hij geen loopje met haar moet nemen.
De ridder vraagt haar hoe zij in het bos verzeild is geraakt en of ze misschien op haar man wacht. Sanderijn zegt dat ze verdwaald is en dat ze ook niet weet waar ze heen moet.
De ridder zegt dat God de hand in hun ontmoeting moet hebben gehad en nodigt haar uit om mee te gaan naar zijn kasteel.
Sanderijn zegt weer dat hij geen loopje met haar moet nemen, maar de ridder zegt weer dat hij het meent. Hij kent geen andere vrouw die zo mooi en welopgevoed is. Hij vraagt nu haar naam.
Zij antwoordt dat ze Sanderijn heet en de dochter is van Robberecht, een wapendrager van een ridder.
De ridder zegt dat zij van goede komaf is en doet haar een aanzoek en tot grote vreugde van de ridder stemt Sanderijn toe en gaat met hem mee.
Als ze in de tuin van de ridder zijn aangekomen, wil Sanderijn hem iets vertellen en dat hij moet proberen te begrijpen wat zij zegt. Zij vertelt van een boomgaard, waar een boom staat. Aan deze boom bloeit een mooie bloem en op een gegeven moment komt er een valk van hoge geboorte en plukt deze bloem. Zij vraagt de ridder of hij de boom hierom minder waard vindt.
De ridder zegt tegen haar dat hij begrijpt wat zij bedoelt en zegt dat aan de boom veel meer bloemen bloeien die hem vreugde schenken.
Hij zegt dat ze er verder niet meer over zullen praten en neemt haar mee.
Lanseloet heeft spijt van zijn daden en is boos op zijn moeder. Hij roept Reinout, zijn kamerheer en vraagt hem of hij Sanderijn voor hem wil zoeken. Reinout zegt dat het niet zeker is dat Sanderijn mee terug zal komen, maar Lanseloet wil toch dat hij het probeert.
Intussen loopt de tuinman van de ridder bij de bron en zegt dat het hem nog nooit is overkomen dat hij daar een vrouw is tegengekomen met wie hij kan trouwen. Hij neemt zich voor om in de toekomst wat beter op te letten wie er bij de bron komt.
Reinout ziet na een tijd zoeken de tuinman en besluit hem aan te spreken of hij Sanderijn heeft gezien.
De tuinman zegt dat zijn heer een jaar geleden een vrouw bij de bron heeft ontmoet. Hij zegt dat ze Sanderijn heet en dat ze een rechtschapen vrouw is.
Als Reinout dit hoort, vraagt hij of hij haar kan ontmoeten, waarop de tuinman zegt dat hij voor een gift wil zien wat hij kan doen.
De tuinman gaat naar Sanderijn en zegt dat een ridder uit Denemerken bij de bron staat en haar wil spreken.
Als Sanderijn bij Reinout aankomt, vraagt hij haar of ze met hem terug wil gaan, omdat Lanseloet met haar wil trouwen. Zij zegt dat ze inmiddels zelf gelukkig getrouwd is en er niet over peinst om mee terug ter gaan. Reinout zegt dat het de dood van Lanseloet zal zijn, maar Sanderijn houdt voet bij stuk.
Reinout vraagt om een teken, zodat Lanseloet zeker weet dat hij haar gesproken heeft.
Sanderijn zegt hem het volgende tegen Lanseloet te zeggen, dat in een boom met veel mooie bloemen, er een valk op een tak komt zitten. Hij plukt een van de bloemen en vliegt er gehaast mee weg. Als de valk later weer op zoek gaat naar de boom, kan hij hem niet vinden.
Ze zegt Reinout, dat als Lanseloet dit hoort hij zal begrijpen dat Reinout met haar heeft gesproken.
Reinout besluit, terwijl hij op weg is naar Denemerken, om tegen Lanseloet te zeggen dat Sanderijn dood is. Hij weet zeker dat Lanseloet een oorlog zal beginnen, ten koste van veel slachtoffers om Sanderijn terug te krijgen.
Als hij bij Lanseloet aankomt, vertelt hij hem het verhaal van de valk en de boom. Lanseloet vraagt na het verhaal of Sanderijn dood is, omdat de valk de boom niet kan vinden en Reinout bevestigt dit.
Lanseloet begint hierop te jammeren en sterft uiteindelijk van verdriet, in de hoop Sanderijn in de hemel weer te zien.
Epiloog
De verteller zegt dat zijn luisteraars een voorbeeld moeten nemen aan dit verhaal en er altijd voor te zorgen elkaar met respect te behandelen, omdat spijt altijd achteraf komt.
bronnen